Aanvulling na hoorzitting

Lab 055/0578
BurgerkrachtCentraal

Aanvulling na hoorzitting

1. Inleiding

1 april 2019 - Tijdens de hoorzitting van 26 maart 2019 in het gemeentehuis van Epe met betrekking tot het bezwaarschrift van 11 januari ingediend bij de gemeente Epe heeft de voorzitter van de bezwarencommissie besloten om Ray Heijder (hierna te noemen 'belanghebbende') een week in de gelegenheid te stellen om een aanvulling te doen.

Dat betekent uiterlijk op 2 april 2019 aanleveren. Deze afspraak is op 27 maart 2019 schriftelijk bevestigd door de secretaris van de onafhankelijke bezwarencommissie.

Dit naar aanleiding van zijn stellige, mondelinge bewering van belanghebbende dat hij wel degelijk beschikt over nieuwe feiten en informatie over omstandigheden. Dat staat haaks op de mening en zienswijze van de verweerder, de gemeente Epe (Apeldoorn). Belanghebbende stelde tijdens de hoorzitting dat de bezwarencommissie riskeert om een advies uit te gaan brengen op basis van onvolledige informatie.

Hiermee zou aan het nobele doel van de bezwaarschriftprocedure tekort worden gedaan. Dat zal een zichzelf respecterende bezwarencommissie zeker willen voorkomen naar inschatting van belanghebbende.

Het spant er in deze zaak om of de gemeente Epe in het kamp zit van 'ga maar naar de rechter' of uitgaat van het in de literatuur bekend staande 'professioneel behandelen van bezwaarschriften'. Dat laatste kan een gemeente niet zomaar, het moet eerst na een bestuurlijke wilsbeschikking geïmplementeerd zijn. Bij de klassieke behandeling van een bezwaarschrift domineert het juridische perspectief op het geschil. De gemeente probeert dan het besluit zodanig te motiveren dat het een eventuele rechterlijke beoordeling kan overleven. Belanghebbende is niet op de hoogte welke gedragslijn de gemeente Epe hierin volgt (maar heeft wel een vermoeden).

Het moderne doel van de bezwaarschriftprocedure is om te komen tot een bestuurlijke heroverweging in burgerbelang zoveel mogelijk tegelijkertijd ook in het belang van het bestuursorgaan. Bovendien is het de bedoeling om het beroep op de bestuursrechter te minimaliseren. Helaas blijft de heroverweging vaak beperkt tot een rechtmatigheidstoetsing. Daar lijkt het nu ook op uit te draaien bij het bezwaar van belanghebbende. Daarmee dreigt het bezwaar te mislukken en de gang naar de rechter noodzakelijk en is de bezwaarschriftprocedure in dit geval slechts het voldoen aan de ontvankelijkheidseis voor beroep.

Belanghebbende maakt hierbij gebruik van de mogelijkheid tot aanvulling binnen een week.

SCAN

Aanleveren aanvullende stukken


1.1 Selectieve waardering van de wet

Belanghebbende ziet dat de bezwarencommissie zich net als de verweerder vooral achter de wet verschuilt en zo de nadruk legt op rechtmatigheid met behoorlijkheid daar ver aan ondergeschikt.

Ook al wordt de wet door verweerder zelf meervoudig en nota bene voor de ogen van de bezwarencommissie overtreden!

De overtredingen van de wet worden deels in dit schrijven genoemd zoals de foutieve uitvoering van artikel 52 Participatiewet inzake het voorschot en het later dan binnen twee weken laten indienen van de bijstandsaanvraag. Maar ook ten dele buiten dit stuk gehouden omdat ze niet binnen de scope van de bezwaarde besluiten vallen. Die komen afzonderlijk aan de orde bij andere (bezwaar)procedures.

Het wordt steeds duidelijker dat terwijl elke burger direct straf en boete riskeert bij wetsovertreding en schending van plichten, bestuursorganen zoals de gemeente Apeldoorn en gemeente Epe een soort diplomatieke onschendbaarheid denken te genieten en kunnen doen wat zij willen. Zij overtreden wetten, komen plichten niet na en lappen behoorlijkheid aan hun laars zonder directe gevolgen.


1.2 Afwaardering van het belang van behoorlijkheid

De case van Ray Heijder moet uitwijzen of rechtmatigheid inclusief behoorlijk overheidshandelen is of dat er een scheiding tussen bestaat. Dit te onderzoeken op gemeentelijk en indien noodzakelijk op gerechtelijk niveau. Cruciaal voor zowel individueel als collectief belang.

De bezwarencommissie toonde tijdens de hoorzitting strak binnen kaders te willen blijven en in deze fase weinig op heeft met de kernwaarden genoemd in de nationale Behoorlijkheidswijzer 2016 (Nationale Ombudsman). Die worden door de commissie geacht op het vlak van klachtenregeling van belang te zijn.

Belanghebbende neemt volledig afstand van die afwaardering; de kernwaarden van behoorlijk overheidshandelen zijn volgens hem wel degelijk relevant bij overheidsdienstverlening, behoorlijk openbaar bestuur en sociaal zekeringsrecht.

Belanghebbende is niet alleen het vertrouwen volledig verloren in de gemeente Epe en gemeente Apeldoorn, maar staat op het punt om dat ook bij de bezwarencommissie te verliezen. Er lijkt louter uit te worden gegaan van rechtmatigheid en totaal niet van de behoorlijkheid.


1.3 Burger moet gedwongen hiaten opvullen

Belanghebbende heeft er mede op basis van de advisering door de bezwarencommissie rond het bezwaar in september 2016 weinig vertrouwen in dat dezelfde commissie nu wel tot een holistische weging zal komen, hoeveel moeite belanghebbende ook zal doen.

Die zorg komt niet uit de lucht vallen; belanghebbende verbaast zich over de afwachtende houding van de bezwarencommissie bij het compleet krijgen van het dossier. Wat de verweerder (met opportune insteek) aanlevert, vindt de commissie al snel voldoende, maar als belanghebbende tijdens de hoorzitting met krachttermen aangeeft dat de commissie zich niet goed heeft laten informeren door de verweerder, komt het verwijt aan hem dat hij zelf had moeten leveren.

Daarom toch maar goed dat de commissie nog de week extra aanvultermijn geeft. Vooruit, dan doet de burger wel weer wat de overheid (verweerder) eigenlijk had moeten doen.

Belanghebbende beschouwt de aanvulperiode van een week overigens niet als een gunst van de bezwarencommissie aan hem, maar aan zichzelf en vooral aan de verweerder om duidelijk te krijgen wat de bewering van belanghebbende over nieuwe feiten en omstandigheden werkelijk behelst en of men daarbij nat kan gaan bij gerechtelijke stappen.

De neutraliteit van de Rechtspraak zal echter waarschijnlijk nodig zijn. Deze is beter geborgd in ons rechtssysteem dan met een bezwarencommissie. Al beweert deze honderdduizend keer onafhankelijk te zijn. Als de bezwarencommissie goed werk had geleverd in september 2016, zaten we nu niet met deze situatie.

Alleen als het krankzinnige gesprek op 1 juli 2016 (waar officieel verslag van bestaat en geacht mag worden te zijn gezien door de commissie) zou alle seinen op rood moeten hebben gezet. Belanghebbende popelt om de rechter alleen daarover al een mening te vragen. Het publiek heeft er al kennis kunnen nemen van de absurditeit op deze locatie:
https://www.burgerkrachtcentraal.nl/lab0550578/sociale-recherche/

Niet alleen de verweerder overtreedt wetten, maar met het verzoek aan belanghebbende om aan te vullen, lijkt de bezwarencommissie dit ook te doen. In dit geval overtreding van het bepaalde in de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen.

Belanghebbende moet kopieën van kopieën maken waarvan de originelen liggen op de plek waar de functionaris waaraan die kopieën moeten worden gestuurd werkzaam is.


1.4 Aanvullen onder protest

Desondanks doet belanghebbende onder protest de flinke inspanning tot het verzamelen, kopiëren van kopieën, aanleveren en opstellen van stukken en toelichting omdat:

(A) hij niet het verwijt wil krijgen dat hij mogelijkheden laat liggen;
(B) de inspanning uiteindelijk toch nodig is voor de rechtsgang;
(C) het meelevende publiek op www.burgerkrachtcentraal.nl verwacht dat belanghebbende concreter wordt.


1.5 Focus: primaire afwijzingsgrond

Van belang is om elementen aan te dragen die bij de verweerder en/of de belanghebbende niet bekend waren of redelijkerwijs als niet bekend beschouwd kunnen worden ten tijde van het indienen en behandelen van het bezwaar op het afwijzingsbesluit van 8 juli 2016.

Ook essentieel is het hebben van de juiste focus en die is de enig overgebleven afwijzingsgrond in september 2016, te weten het niet meewerken aan een noodzakelijk geacht huisbezoek.

De secundaire afwijzingsgrond, zijnde het niet kunnen vaststellen of belanghebbende in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde, kwam te vervallen. Dit laatste mede op advies van de bezwarencommissie.

De bezwarencommissie schaarde zich echter volledig achter de verweerder voor wat betreft het niet meewerken aan het noodzakelijk geachte huisbezoek. Verweerder heeft zich dan ook volledig gesteund gevoeld en dit aspect dankbaar en volledig overgenomen.

Hiertegen heeft belanghebbende vanaf het bekendmaken van deze beslissing op advies van de bezwarencommissie altijd een groot bezwaar gehad met de wens om hierover bij de rechter in beroep te gaan. Echter heeft hij de inschatting moeten maken onvoldoende draagvlak te hebben gehad om kansrijk juridisch te gaan procederen. Hij schatte in dat hij niet op kon tegen de argumenten van de verweerder te meer nadat de bezwarencommissie daarbij onvoorwaardelijke steun leverde aan verweerder.

Tot recentelijk dus. Thans is zijn overtuiging dat hij zoveel nieuwe feiten en omstandigheden heeft kunnen verzamelen dat zijn zaak samen met de reeds bekende feiten en omstandigheden zeer sterk is. Deze betreffen met name de toedracht van de weigering, wat de weigering zelf in een ander daglicht plaatst. Zulks opnieuw ter beoordeling van de huidige bezwarencommissie.

De bezwarencommissie zou er naar de mening van belanghebbende ook goed aan doen om nog eens heel goed te kijken naar de rechtvaardiging van het noodzakelijk geachte huisbezoek op 1 juli 2016, met name naar het hoe en waarom van 'noodzakelijk geacht'.

Is het middel niet juist bedoeld om vast te stellen of een belanghebbende in bijstand behoevende omstandigheden verkeert?
Ofwel het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

Of is het middel puur ingezet om al dan niet vast te stellen dat belanghebbende liegt of heeft gelogen?

Kijk naar de omstandigheden en de bereidwilligheid tot transparantie van belanghebbende. Zie zijn gehele dossier waarin hij ook de niet zo mooie kantjes aan zijn persoon en verleden volledig op tafel heeft gelegd.

Overwegende dat belanghebbende zelfs open en bloot informeerde (en informeert) over alles in zijn case op het internet met een website waarbij eventuele verklikkers direct zouden kunnen zeggen:

Die meneer beste gemeente liegt inderdaad!

Redelijkheid
Hoe aannemelijk is het nou echt dat belanghebbende onjuist informeerde over zijn woonsituatie die eerder om te schamen was!
Welk gratis alternatief zou hij hebben gehad anders dan zijn zelf financieel behoeftige ouders die uit liefde voor hun kind (een volwassen man van 50 jaar) dan maar genoegen namen met voorlopig geen geld voor kost- en inwoning doordat belanghebbende geen geld had, ook niet in de vorm van een voorschot?

Als die secundaire grond vervalt, vervalt daarmee dan eigenlijk niet ook de primaire grond?

Blijft alles overwegende dan het (ook door de wetgever zwaar en ingrijpend geachte) huisbezoek dat alleen proportioneel (evenredig) met het doel mag worden ingezet nog wel gerechtvaardigd?

HEEL BELANGRIJK:
De nieuwe feiten en omstandigheden zouden als zij eerder bekend waren niet alleen belanghebbende destijds meer slagkracht hebben gegeven bij het in bezwaar gaan (en de afhandeling van het bezwaar), maar ook hebben overtuigd om na afwijzing van het bezwaar de rechtsgang wel door te zetten en in beroep te gaan.

Sterker nog en voorliggend eigenlijk nog veel belangrijker:
Belanghebbende zou het meewerken aan het huisbezoek alleen al uit automatisme nooit hebben geweigerd als specifieke feiten en omstandigheden hem destijds wel bekend waren.

Bij de tweede aanvraag werd ook een huisbezoek verlangd. Belanghebbende werkte volledig mee, echter de twee ambtenaren die het bezoek aflegden, wilden helemaal niets zien. Belanghebbende heeft één van de heren bijna moeten dwingen om even een blik te werpen op zijn woonsituatie. Welk signaal moet hiervan uitgaan? Nog maar kort geleden was een huisbezoek zo cruciaal dat er een uitkering op is geweigerd, nu is er ineens helemaal niets belangrijk. Is dat burgertje pesten? Had dan tenminste nog alsof gedaan als ambtenaren. Men is niet verder gekomen dan de oprijlaan.


1.6 Afbakening

Om het werkbaar te houden, stelt belanghebbende dat alle nieuwe feiten en omstandigheden van ná 8 september 2016 (beslissing op bezwaar) in aanmerking komen om aanvullend door hem te worden aangeleverd binnen 1 week, met name die zijn gericht op het noodzakelijk geachte huisbezoek, maar vooral ook op de factoren die hebben geleid tot de paniekreactie van  belanghebbende op de mededeling over het uit te voeren acute huisbezoek op 1 juli 2016.

Belanghebbende moet zich door de handelswijze van de verweerder noodgedwongen telkens baseren op doorlopend intensief onderzoek achteraf en op AVG-inzage op zijn dossier eind juli 2018. Geheel in lijn met de jarenlange gang van zaken heeft belanghebbende louter op basis van voortschrijdend inzicht volledig zelfredzaam kunnen handelen doordat de verweerder de informatieplicht niet nakomt en cruciale informatie voor belanghebbende heeft achtergehouden (of tenminste niet proactief heeft verstrekt). Met het gevolg dat belanghebbende echt alleen door speurwerk en dankzij toevalligheden kon ontdekken dat hij in zijn recht is beperkt en de verweerder in voorkomende gevallen zelfs wetten (met name de Participatiewet) heeft overtreden.

Het is in het algemeen gesteld (en ook specifiek in deze case) te belachelijk om te mogen bestaan dat een burger zoveel moeite en inspanning moet doen om basaal recht te behalen. In één woord: ONBEHOORLIJK!


2. Voorschot artikel 52 Participatiewet

Belanghebbende is nooit geïnformeerd door de verweerder over het voorschot zoals bepaald in artikel 52 van de Participatiewet. Dit is voor verweerder uiteraard geen nieuw feit of omstandigheid ná 8 september 2016 (het niet informeren lijkt zelfs beleid te zijn) maar voor de belanghebbende WEL. Pas vanaf eind september 2016 is het hem duidelijk gaan worden hoe het formeel zit. Aanleiding voor het speurwerk was dezelfde onzorgvuldigheid van verweerder bij het voorschot bij de tweede bijstandsaanvraag als bij de eerste afgewezen bijstandsaanvraag. De verweerder ging voor de tweede keer in de fout en belanghebbende is naar aanleiding daarvan intensief op onderzoek uitgegaan.

Vanaf toen is hij het volgende gaan ontdekken waarvan hij dus nog niet eerder op de hoogte was:

Dat het wettelijk onjuist is dat de verweerder bij beide bijstandsaanvragen meer dan twee weken heeft laten zitten tussen melding en indienen daadwerkelijke aanvraag. Met gevolgen voor de 4-weken-termijn m.b.t. het voorschot! Doordat belanghebbende niet op de hoogste was, heeft hij pas lang achteraf ontdekt dat hij had kunnen aandringen op het sneller indienen van de aanvraag.

Dat de verweerder informatie heeft achtergehouden over het aspect voorschot in de zin van artikel 52 van de Participatiewet. Deze voorziening is niet ter sprake gekomen tijdens individuele gesprekken en ook niet in groepsbijeenkomsten. Ook wordt er tot op de dag van vandaag niet online over geïnformeerd op de gemeentelijke website. Het voorschot wordt derhalve totaal verzwegen voor belanghebbende en iedere belanghebbende!

Los van het niet actief informeren en dat belanghebbende strikt gezien de Participatiewet erop had kunnen naslaan (maar welke burger doet dat die vertrouwt op de gemeente en bovendien blijkt na landelijk diepteonderzoek door belanghebbende dat zelfs veel gemeenten niet instaat blijken artikel 52 goed te vertalen op hun websites), geldt dat de verweerder uit eigen beweging het voorschot had moeten verstrekken.

Ook dat wist belanghebbende toen niet! Was dat wel het geval geweest, dan had hij aan de bel kunnen trekken. Fatsoenlijke, behoorlijke gemeenten geven dat ook als tip op hun website:

Heeft u na vier weken geen voorschot ontvangen, laat dit dan even aan uw contactpersoon weten.

Dat de verweerder fouten heeft gemaakt bij de voorschotverstrekking en dit eindelijk op 11 januari 2019 (bijna drie jaar later) toegeeft in het thans bezwaarde herzieningsbesluit is ook een nieuw feit en een nieuwe omstandigheid.

En die foutieve voorschotverstrekking is niet zomaar af te doen met slechts een excuus zoals verweerder probeert. Deze grove fout met diepe impact heeft er voor belanghebbende mede (dus niet uitsluitend) voor gezorgd dat hij het handelen van verweerder heeft opgevat als stelselmatig proberen te voorkomen dat hij de uitkering zou krijgen met uiteindelijk het buitenproportioneel inzetten van het middel huisbezoek.

Als belanghebbende gewoon volgens de wet zijn voorschotten had gekregen, was hij ten eerste niet verder in de financiële problemen geraakt die hem zeer benauwden, maar had hij ook een andere beleving gehad bij de afhandeling van de aanvraag. Hij had dan ingezien dat de handelingen van verweerder niet bedoeld waren om hem ten koste van alles de uitkering te onthouden, maar om zo goed mogelijk vast te stellen dat er recht op bijstand bestond.

Belanghebbende die toch al maximaal meewerkte (uit niets blijkt anders) zou (ware het mogelijk) nog meer verantwoordelijkheidsbesef hebben gehad als hij met voorschotten alvast was geholpen. Het verlangde huisbezoek had hij evengoed als buitenproportioneel gezien (na zijn onberispelijke en uitputtende medewerking), maar ook als billijk op basis van 'wie betaalt, bepaalt'.


3. Nieuwe feiten en omstandigheden na AVG-inzage

Hierna volgen stukken met feiten en omstandigheden die niet eerder dan de AVG-inzage van 25 juli 2018 bekend waren bij belanghebbende.


3.1 Eindrapportage training Direct Actief

Belang: verdachtmaking van belanghebbende

Uit dit stuk blijkt dat op belanghebbende de zogenaamde 'zoektijd' is toegepast die wettelijk geen grondslag heeft. Op zich mag de gemeente dit binnen de vrije beleidsruimte doen mits de belanghebbende binnen de wettelijke termijn een aanvraag kan indienen. Uit andere stukken blijkt echter dat dit recht is geschaad.

Bij 'signalen rode stroom' is de laatste zin pretentieus en stemmingmakerij. Belanghebbende heeft zich hier niet tegen kunnen verweren omdat hij er niet vanaf wist. Wat hij achteraf belangrijk vindt aangezien hij van mening is dat het gestelde onjuist is. De suggestie wordt gewekt dat belanghebbende minder loslaat. Dat is verdachtmaking. Het is daarbij nog maar de vraag of de broer van belanghebbende meer heeft losgelaten. Hij had juist met de broer afgesproken dat hij het meeste zou vertellen omdat hij het grootste overzicht op de voorgeschiedenis had.

Saillant detail: belanghebbende heeft steeds willen verwijzen naar zijn broer en wat zij samen wisten, maar werd telkens afgekapt met het argument dat de gemeente zijn case en dat van zijn broer gescheiden behandelt. Nu blijkt achteraf dat de verweerder zelf wel dossierkennis heeft gecombineerd. Overigens is het naïef om als gemeente te denken dat ze kan liegen tegen belanghebbende terwijl het zeer aannemelijk is dat hij met zijn broer voortdurend samen kan verifiëren, zeker als huisgenoten. Zelfs vandaag nog!

De opmerking over "gratis geld" duidt er op dat achter de schermen is gecommuniceerd over een onbenullig grapje van belanghebbende tijdens het allereerste contact (de meldingsdatum) en het een eigen leven is gaan leiden en daarmee uitvergroot is. Lang voordat hij afhankelijk werd van de Participatiewet en zelfs leverancier van de gemeente Apeldoorn was maakte hij al samen met ambtenaren (zijn klanten) dergelijk grapjes en kon niet weten dat het dit keer zo zwaar zou wegen. Toen hij de opmerking plaatste (vergeet ook niet dat hij net een zeer heftige periode achter de rug had en wat schaapachtig luchtig probeerde te doen) begreep hij uit de reactie van de ambtenaar dat het niet zo goed viel en zei hij nog: "niet opschrijven hoor mevrouw, het was maar een grapje". Maar het is dus wel degelijk geregistreerd blijkens de opmerking in het dossier.
Dit element kan aan de basis hebben gelegen van het stroeve vervolg. De toon voor een langlopend conflict is hier als het ware reeds gezet zonder dat belanghebbende dit wist.

SCAN

Vervolgens heeft blijkbaar een eenvoudig verzoek van belanghebbende over reiskosten geleid tot commotie waarbij de behandelend ambtenaar zich zelfs juridisch meende te moeten indekken (door intern vragen hierover te stellen). Het lijkt erop dat belanghebbende hier irritatie mee heeft gewekt, of in elk geval vooringenomenheid. Dit mag blijken uit:

Klant is gewoon aanwezig. Hij is ook aanwezig op de voorlichting.

Alsof de inschatting is geweest dat belanghebbende misschien niet zou komen opdagen en dat het dus meevalt dat hij er toch 'gewoon' is.

Overigens wekt de zin:

Zolang de klant niet naar de afspraken komt, dan kan ik ook geen afspraak inplannen bij IDV

de suggestie dat belanghebbende afspraken negeert, wat absoluut niet het geval is geweest.

Zeer recentelijk (begin 2019) is het de trajectregisseur Werk en Inkomen Epe die zomaar niet is komen opdagen waardoor belanghebbende voor niets is gekomen, alsmede een begeleider die speciaal uit een andere gemeente moest komen.

De behandelend ambtenaar maakt in dit vroegtijdige stadium zwart-op-wit belanghebbende tot verdachte door een vraag van hem 'vreemd' te vinden en af te vragen waarom hij die stelde. Alsof hij er een bepaalde ondermijnende opzet mee had. Zoiets werkt ongetwijfeld door.

De behandelaar suggereerde dat belanghebbende zou hebben voorgesteld om een klus zwart aan te nemen. Dat heeft hij helemaal niet gedaan en zou ook heel onlogisch zijn om dat voor te stellen bij nota bene de gemeente en in de fase van aanvraag bijstand! Dat hij vooraf meldt een klus op het oog te hebben, ondergraaft bovendien nog eens per definitie de kwalificatie 'zwart' (hij had bij zwarte plannen helemaal niet vooraf aangekondigd!).

Zulke elementen in het dossier doen het wegnemen van eventuele twijfels geen goed en wakkeren ze juist aan!

Ook hier weer, was belanghebbende toen niet op de hoogte van de verdachtmaking, maar pas na AVG inzage in juli 2018 (twee jaar later).

Overigens goed om hier vast te stellen dat de gemeente in wezen HIER AL op de hoogte is gebracht door belanghebbende dat hij geen middelen van bestaan had. Reeds hier had de gemeente zich kunnen realiseren dat belanghebbende een voorschot nodig zal hebben. Om het nog maar niet te hebben over eventueel dreigende broodnood.

SCAN

Zwart?


3.2 Training- en ondersteuningscentrum (4 weken)

Belang: beeldvorming 'lastige kandidaat'

Via dit stuk komt belanghebbende op basis van niet eerder bekende feiten er achter hoe negatief er tegen hem wordt aangekeken vanwege zijn erg van de regelgeving zijn, het aangaan van discussies en overal kritiek op hebben.

Zijn dit wel negatieve kwalificaties? Dat het de betreffende functionaris(sen) niet gelegen komt, is wat anders.

Uit het document is te proeven dat eraan werd getwijfeld of belanghebbende serieus met aangeleverde vacatures omgaat. Belanghebbende ziet dit als gevaarlijke stemmingmakerij die hij destijds niet heeft kunnen ontzenuwen of bezwaren omdat hij er niet vanaf wist.

Belanghebbende is er achteraf van overtuigd dat het opgeroepen beeld heeft meegespeeld in de chronische tegenwerking door de gemeente in het vervolg.

Scan:

Direct Actief


3.3 Vervolgtraject werk met behoud van uitkering

Belanghebbende heeft destijds opmerkelijk gevonden dat hij pas op 14 april 2016 een aanvraagformulier voor de bijstand kreeg, op 22 april 2016 een uitnodiging voor een vervolggesprek met de klantmanager werk op 2 mei 2016 en toen eindelijk pas de daadwerkelijke aanvraag mocht indienen. ZES WEKEN LATER vanaf meldingsdatum 21 maart 2016.

"Dat is nu eenmaal zo" werd er door de klantmanager werk gezegd toen belanghebbende zijn verbazing hierover uitsprak. Toen wist belanghebbende nog niet hoe belangrijk de datum aanvraag is in relatie tot het moment van recht op voorschot (uiterlijk 4 weken na datum aanvraag, niet de meldingsdatum).

Ook wist belanghebbende niet dat de wet voorschrijft dat een aanvraag uiterlijk twee weken na de meldingsdatum door de aanvragen moet kunnen worden ingediend. Deze regel heeft de verweerder geschonden (ook overigens later bij de tweede bijstandsaanvraag).

Belanghebbende had er destijds een naar gevoel over en heeft later aan de klantmanager inkomen opheldering gevraagd. Die heeft belanghebbende berekeningen en uitleg gegeven waarin hij belanghebbende blijkt te hebben misleid. Belanghebbende kon hier toen niet tegen in verweer vanwege gebrek aan kennis. Kennis die hij ook later bij de bezwaarprocedure nog niet eens had, maar eerst na intensief onderzoek en studie naar de materie (voor BurgerkrachtCentraal) en schriftelijke ruggespraak met vaktechnische functionarissen van andere gemeenten (in 2018) inmiddels wel paraat heeft. De klantmanager inkomen moet hebben geweten wat de achtergrond van het verzoek om uitleg is geweest, maar heeft die omzeild door SCHRIFTELIJK (dus aantoonbaar) gegoochel met datums en termijnen hiermee de belanghebbende intimiderend getracht af te serveren.

Over de aspecten meldingsdatum versus aanvraagdatum en voorschot is belanghebbende nooit door de gemeente geïnformeerd. Ook niet via de geleverde documentatie, niet tijdens voorlichtingsbijeenkomsten en niet via de gemeentelijke website. Belanghebbende is volledig van informatie verstoken geweest en hij maakt dankzij de AVG inzage nu achteraf op dat dit opzettelijk is gebeurd.

SCAN

Vervolgtraject


3.4 Rapportage aanvraag algemene bijstand

Van klantmanager inkomen. Deze rapportage is opgenomen in het bijstandsdossier van belanghebbende blijkens het op AVG inzakeverzoek geleverde pakket. Hierbij niet in z'n geheel bijgevoegd, maar wel passages die betrekking hebben op wat voor belanghebbende nieuwe feiten en omstandigheden zijn.

Op het eerste blad wordt duidelijk dat verweerder alle datums duidelijk voor ogen had. Nieuw hierbij voor belanghebbende is dat verweerder alles op rij had en de gemaakte fouten bij voorschotverstrekking niet hebben gelegen aan het niet hebben van overzicht, maar een bewuste actie moet zijn geweest.

Uit de opsomming van datums blijkt dat de wettelijke termijnen zijn genegeerd door verweerder. Zo is het laten indienen van een aanvraag een ZES WEKEN na de meldingsdatum onwettig. Dat is alleen toegestaan (vier weken) voor aanvragers van jonger dan 27 jaar (wettelijke zoektijd). De aanvraag kon op 2 mei 2016 fysiek kon worden ingeleverd bij de klantmanager inkomen. Over dit aspect heeft belanghebbende destijds een vraag gesteld aan de klantmanager werk. Die gaf aan dat dit nu eenmaal zo was. Belanghebbende moest zich hier maar bij neerleggen, er dan maar vanuit gaande dat er gewoonweg niet eerder een gaatje in de agenda van de klantmanager inkomen was.

Belanghebbende was toen niet op de hoogte van wettelijke termijnen die staan voor het kort mogelijk na de meldingsdatum indienen van de aanvraag. Daar is ook niet over geïnformeerd door de verweerder op meerdere momenten dat er over de rechten en plichten werden gecommuniceerd. Sterker nog: belanghebbende is er veel later dankzij zijn inspanningen voor BurgerkrachtCentraal achtergekomen door een consultatieronde onder meerdere gemeenten. Was belanghebbende wel geïnformeerd dan had hij destijds krachtiger kunnen aandringen voor tijdig indienen van de aanvraag.

SCAN:

Klantmanager inkomen

"Rapporteur heeft deze niet eerder verstrekt, omdat de aanvraag op grond van voorgaande gegevens al leek te worden afgewezen. Aangezien dit nog niet concreet genoeg was, heeft rapporteur op 22 juni 2016 een voorschot laten uitbetalen."

Belanghebbende is hiervan nooit op de hoogste gebracht en is daardoor niet in de gelegenheid gesteld om zich er tegen te verweren door een extra inspanning te leveren voor het toelichten van de gegevens. En eventueel een cliëntondersteuner dan wel rechtsbijstand in te schakelen. Het onbevestigde gevoel (ervaring) van belanghebbende dat de gemeente erop uit was om hem de uitkering uiteindelijk te weigeren, lijkt hier te worden bevestigd.

Voorts is van belang dat belanghebbende in de gelegenheid zou zijn geweest om het tegenhouden van het voorschot aanhangig te maken bij de provincie (voorlopige voorziening).

Belangrijk:
Belanghebbende constateert achteraf dankzij AVG-inzage een in het nadeel van belanghebbende afgezwakte weergave door de rapporteur. Hij gaf aan dat er niet overgegaan is tot een voorschot "omdat de aanvraag op 2 mei is ingediend en sindsdien ruim vier weken zijn verstreken" maar vanwege de vermelde reden ervoor "Belanghebbende heeft rapporteur op 20 juni 2016 een e-mail gestuurd, waarin hij onder andere aangeeft nog geen voorschot te hebben gehad". Nog even los van het feit dat belanghebbende veel eerder recht op een voorschot had gehad als hij op tijd zijn aanvraag had mogen indienen (te weten uiterlijk 4 april 2016 aanvraag en uiterlijk 2 mei het eerste voorschot).

Hier is ook sprake van een understatement. Belanghebbende heeft in die e-mail niet alleen maar aangegeven, maar de noodklok geluid en een eis ingebracht. Dat gaat veel verder dan iets aangeven. Dát heeft de rapporteur bewogen om het voorschot te verstrekken.

Dat rapporteur niet uit eigen beweging het goede deed, wordt later opnieuw aangetoond doordat dit voorschot eenmalig bleek te zijn, terwijl voorschotten vervolgens per vier weken opnieuw moeten worden verstrekt. Had de rapporteur derhalve een eenmalig besef van verantwoordelijk ten aanzien van nakomen van de wet?

Alsnog zou moeten worden beoordeeld of de verweerder artikel 52 van de Participatiewet heeft geschonden, in het bijzonder de bepalingen over het weigeren van het voorschot (zie verderop bij onderdeel Risc de paniekreactie van belanghebbende).

SCAN:

Voorschot

Ook nieuw (en pas zeer recentelijk bekend geworden in het herzieningsbesluit waar dit bezwaar op ziet) is dat de fouten die verweerder heeft gemaakt ook door verweerder zelf worden erkend. Voor het eerst! Het beleid dat het college heeft en in het thans bezwaarde herzieningsbesluit wordt genoemd, is niet uitgevoerd.

Niet alleen is zoals hiervoor al beschreven door verweerder gefraudeerd met berekeningsgrondslag door de verweerder (obstructie tijdig indienen van de aanvraag), maar ook met de tijdstippen en frequentie van de daadwerkelijke verstrekking van voorschotten.

Belanghebbende kan niet leven met alleen maar een excuus aangezien hij van mening is dat de noodsituatie die ontstond door het uitblijven van voorschotten alsmede de houding van de verweerder hierbij van grote invloed zijn geweest op zijn uiteindelijke weigeren van medewerking aan het huisbezoek. Het heeft bijgedragen aan een algeheel gevoel van maandenlange tegenwerking door de verweerder bij belanghebbende opgeroepen waardoor hij uiteindelijk geen vertrouwen had dat het huisbezoek als sluitstuk behoorlijk en eerlijk zou verlopen.

SCAN:

Voorschot

SCAN:

Voorschot

Aan belanghebbende is niet bekend gemaakt dat zijn aangeleverde gegevens en bewijsstukken alsmede informatie uit externe bronnen aanleiding gaven tot een nader onderzoek en belanghebbende en hij als verdachte werd aangemerkt. Hierbij zij opgemerkt dat belanghebbende exact overzicht van wat hij heeft aangeleverd en verklaard, maar nu nergens kan terugvinden wat specifiek die 'informatie uit externe bronnen' inhoudt en hoe bezwarend die is.

Deze informatie is kennelijk buiten de AVG-inzage gehouden of bestaat niet!

Wat nu achteraf zeer opmerkelijk is, is dat het enige voorschot dat aan belanghebbende is verstrekt juist is verleend en uitbetaald op een moment dat dit niet verantwoord was (vanuit de gemeente bekeken). Immers ongeveer tegelijkertijd is Risc ingeschakeld.

Het voorschot werd hiervoor tegengehouden vanwege twijfels, vervolgens verstrekte de verweerder het voorschot dus alsnog nagenoeg gelijk met het inschakelen van team Risc (sociale recherche) op 16 juni 2016 (net voor het verstrekken van het voorschot op 20 juni 2016). Uit de stukken blijkt dat tussen 16 juni en 20 juni daarin niets is veranderd omdat de terugkoppeling van team Risc eerst op 1 juli 2016 plaatsvond.

Het is volstrekt onlogisch en zelfs onverantwoordelijk om een belanghebbende een voorschot te verstrekken als de verdenking zo groot is dat de sociale recherche moet worden ingeschakeld.

Verweerder had dus juist moeten vasthouden aan het niet verstrekken van een voorschot. Dat had verweerder dan ook als reactie op de alarmerende  e-mail van belanghebbende van 20 juni 2016 moeten onderbouwen. Ook hier geldt weer dat belanghebbende dan gelegenheid had gehad om rechtsbijstand te vragen en/of een voorlopige voorziening aan te vragen. Maar belangrijker nog: dan had hij geweten dat hij verdachte was en had hij zich kunnen inspannen om meer licht te werpen op de situatie dan wel aanspraak kunnen maken op rechten die een verdachte heeft (denk aan zwijgrecht).

Het lijkt er sterk op dat verweerder geschrokken was van de dwingende e-mail van belanghebbende wetende niet sterk te staan, belanghebbende in zijn recht stond en vervolgens maar ad hoc is overgegaan tot een betaling van een enkelvoudig voorschot.

Intussen was de gedrevenheid om belanghebbende een uitkering te onthouden niet verminderd en schakelde de rapporteur Risc in. Naar het oordeel van belanghebbende allang niet meer om het 'recht op bijstand' vast te stellen, maar om een sterk argumenten te vinden om af te wijzen. Omdat tot nu toe de grondslag daarvoor (zoals eerder als opmerking aangetroffen) "nog niet concreet genoeg was".

Later (in de hoorzitting van de bezwarencommissie) zou blijken dat al het tot dan toe verzamelde terzijde zou worden gelegd omdat het weigeren van medewerking aan een huisbezoek voldoende was om belanghebbende af te serveren. Het niet meewerken aan het huisbezoek door belanghebbende is dus de ultieme doorbraak gebleken voor verweerder. Het kwam verweerder dus heel erg goed uit.

Opmerking:
Ervan uitgaande dat de belanghebbende een uitkering zou worden geweigerd, maar dat er nog voldoende draagvlak voor moest worden gezocht, heeft verweerder bewust belanghebbende verder in de problemen gebracht door het verstrekken van het voorschot. Dankzij al het eerder verzamelde wetende dat belanghebbende al diep in de schulden zat, heeft verweerder het risico genomen hem nog verder in de schulden te brengen. Immers, voorschotten moeten worden terugbetaald als een uitkering wordt geweigerd.

Adrescontrole

Waar is de toetser?
De rapportage aanvraag algemene bijstand is opgesteld en ondertekend door de rapporteur. Uit het document blijkt dat rapportages moeten worden getoetst. Echter blijkens het document heeft geen toetsing plaatsgevonden, althans bij ondertekening is naam en ondertekening toetser blanco gelaten.

Belanghebbende beschouwt het als een nieuw feit dat de rapportage van de rapporteur kennelijk niet is getoetst. Hiermee ziet belanghebbende dat op basis van slechts één persoon een cruciaal oordeel over hem is geveld. Dat vervolgens hierna de sociale recherche is ingevlogen heeft er niet toe geleid dat rapporteur eventueel is gecorrigeerd, maar extra bijval heeft gekregen tegen de belanghebbende.

SCAN:

Geen toetser


3.5 Rapportage RISC

Het document 'Rapportage RISC' van 1 juli 2016 is als geheel nooit door belanghebbende gezien tot de AVG inzage. Wel herkent hij onderdelen zoals de transcriptie van het vraaggesprek en de verklaring op 1 juli 2016.

Nieuwe feiten en omstandigheden:
Tot AVG inzage kon belanghebbende alleen vermoeden dat hij als verdachte was aangemerkt (door het in zijn beleving stroef verlopen van de contacten met de gemeente).

Pas uit de 'Rapportage RISC' kan hij opmaken dat zijn vermoeden terecht was en hij daadwerkelijk als verdachte (als risico) werd gezien.

Dit is destijds NIET AAN HEM BEKEND GEMAAKT!

Hierdoor heeft belanghebbende

- geen gebruik kunnen maken van zijn wettelijk zwijgrecht;
- onvoldoende kunnen beoordelen of hij onafhankelijke cliëntondersteuning of rechtsbijstand in te schakelen;
- geen aanleiding gezien om (ware het mogelijk) extra inspanningen te leveren tot leveren van meer informatie.

Overigens is er op enig moment wel een medewerker van MEE Veluwe op belanghebbende afgestuurd nadat verweerder uit online uitingen opmaakte dat belanghebbende mogelijk aan het bezwijken was onder de druk. Dus een soort van besef was er wel!

De punten die aanleiding waren om Risc in te schakelen zijn achteraf door AVG inzage eerst duidelijk geworden bij belanghebbende. Zeker niet voorafgaand aan het lange vraaggesprek op 1 juli 2016.

Uit de transcriptie (gespreksverslag) blijkt dat belanghebbende op zeer hoog detailniveau is doorgezaagd, maar ook zeer gedetailleerd heeft geantwoord. Hij had dit nog beter kunnen doen als hij had geweten waaraan werd getwijfeld. In plaats daarvan heeft belanghebbende zich vele malen achter de oren moeten krabben over de bedoeling van de vragen en dat als intimiderend ervaren. Echter hij heeft geen moment geaarzeld om volledig mee te werken tijdens het gesprek.

Belanghebbende beschouwt achteraf de gestelde punten als onjuist voor twijfels. Uiteraard is de verweerder gerechtigd om daar anders over te denken, maar belanghebbende is niet in de gelegenheid geweest om in de beantwoording gericht daar argumenten voor aan te dragen.

Belanghebbend beschouwt de punten als buitensporig zwaar aangezet door de rapporteur zonder aanleiding die zoals eerder opgemerkt kennelijk ook door niemand wordt getoetst (en dus kan doen wat hij wil). Voor alle punten liggen er juist uitgebreide, transparante verklaringen van belanghebbende, ook schriftelijk vastgelegd.

Daarom kan belanghebbende niet anders concluderen dan dat de verweerder het inzetten van Risc heeft misbruikt en daarbij zich heeft bezondigd aan onnodige verdachtmaking en het zaaien van twijfel.

En los daarvan en al eerder opgemerkt: zonder belanghebbende te laten weten dat er sterk aan hem werd getwijfeld.

Sterker nog: door het verstrekken van een voorschot, kwam belanghebbende in de modus en veronderstelling dat er eindelijk schot kwam in zijn aanvraag. Anders zou hij toch ook niet alvast wat geld hebben gekregen? Met andere woorden: terwijl belanghebbende dacht dat het eindelijk de goede kant op ging, was het tegenovergestelde waar.

Belanghebbende vindt achteraf dat veel vragen de bedoeling lijken te hebben gehad om de twijfels te versterken in plaats van weg te nemen. Hierdoor is belanghebbende in zijn recht beperkt. Het heeft eraan bijgedragen dat men ondanks de zeer uitvoerige verklaringen van belanghebbende na afloop een direct huisbezoek werd verlangd door team Risc.
Het vermoeden van belanghebbende is dat dit allang vooraf een voornemen was.

Men heeft door de vraagstelling de twijfels gevoed en daardoor zelf het huisbezoek noodzakelijk gemaakt. Belanghebbende niet, want hij heeft maximale inspanning verricht tijdens het gesprek. Zo beleefde hij dat ook, wat ertoe leidde dat hij verbijsterd was over het verlangde huisbezoek.

"Hoe kan het nou zo zijn dat men mij na dit alles nog steeds niet gelooft en vertrouwt? En ik denk nog wel dat het de goede kant op gaat doordat ik eindelijk een voorschot kreeg" was zijn gedachte op dat moment.

De vooringenomenheid van verweerder bij de belanghebbende en de kennelijke behoefte om hem maximaal het vuur aan de schenen te kunnen leggen (let wel, het ging alleen nog maar om een aanvraag bijstand en nog niet eens het al hebben van een uitkering) blijkt uit de nogal forse waarnemingen die men nodig vond en doorgaans vooral bij fraudeonderzoek bij lopende uitkeringen worden uitgevoerd. Alsof de opzet was om zoveel mogelijk belastend materiaal te verzamelen om toch vooral de uitkering te kunnen weigeren. Eén daarvan het heimelijk volgen van belanghebbende op weg naar het vraaggesprek.

Waarnemingen

Belanghebbende ziet nu pas achteraf aan de Risc-rapportage hoe belangrijk de diverse pogingen tot onaangekondigd huisbezoek hebben meegewogen. Toen denkende dat het alleen maar onschuldige pech was dat hij even niet thuis was. Er is hem destijds ook geen instructie opgelegd over het voldoende thuis zijn (als zoiets al bestaat behoudens situaties zoals opgelegd bij een huisarrest wat uiteraard niet aan de orde was).

Had belanghebbende geweten dat dit voor de gemeente zo'n belangrijk aspect was dat bovendien niet door het intensieve gesprek op 1 juli 2016 kon worden gecompenseerd, dan had hij anders gestaan tegenover het verlangde huisbezoek. Hij kon niet anders dan op dat moment voor zichzelf bepalen dat hij op goede wijze had meegewerkt door tot in den treuren antwoorden te geven tijdens de zitting op 1 juli 2016. Hij kon niet bevroeden dat de sociaal rechercheurs daar een andere beleving bij hadden anders had hij nog kunnen vragen op welke punten hij onduidelijk had geantwoord en het vervolgens kunnen aanvullen of verduidelijken.

CRUCIAAL:
Hij was zeer geschokt en in emotionele paniek aan het eind van het zeer intensieve en op de persoonlijke levenssfeer hard ingrijpende gesprek (zie verslag) toen zelfs dat allemaal niet voldoende zou zijn en team Risc erop stond om direct met hem mee naar huis te gaan om te controleren of het allemaal wel waar was wat hij zojuist had verklaard.

Dit gebeurde allemaal in kort tijdsbestek en in een stroomversnelling (achtbaan gevoel) waarmee belanghebbende op dat moment psychisch niet kon dealen. Als escape, time-out, break is belanghebbende met toestemming van de sociaal rechercheurs even telefonisch gaan overleggen met zijn advocaat op afstand. Dit was vooral een paniekreactie. Belanghebbende voelde zich zeer slecht bejegend, bedreigd, miskend en moederziel desolaat alleen staan, en had deze ruggespraak in noodweer echt even nodig. Het voelde voor hem alsof hij ter plekke zou bezwijken.

Hij kwam terug met het besluit om inderdaad niet mee te werken omdat hij volstrekt geen vertrouwen meer had in de eerlijke gang van zaken met het ongeloof over zijn verklaring aan team Risc op 1 juli als druppel die de emmer deed overlopen.

Belanghebbende meent tot op de dag van vandaag hier nog steeds symptomen van posttraumatische stress van te ondervinden en is bereid hier zo nodig aanvullende verklaringen over af te leggen eventueel door tussenkomst van een arts.

Achteraf blijkt dat alles is opgehangen aan het huisbezoek dat als sluitstuk (helemaal op het einde) is ingezet. Niets wat belanghebbende heeft aangeleverd, beantwoord, verklaard (ook in het lange vraaggesprek) is daardoor in het voordeel van belanghebbende aangewend. Het hele behandeltraject had in wezen overgeslagen kunnen worden door te volstaan met alleen een huisbezoek (aangezien dat uiteindelijk als allesbepalend wordt beschouwd).

Dan is er gelijk ook de vraag: waarom niet al veel eerder een huisbezoek, bijvoorbeeld toen verweerder in vroeg stadium het voorschot bewust tegenhield omdat men dacht toch te gaan afwijzen (maar de grond daarvoor nog niet concreet genoeg kon maken)?

Het gevolg is onnodige tijdsverspilling, overbodige langdurige psychische druk op belanghebbende en onverantwoordelijk beslag op publieke middelen. Om het nog niet te hebben op de idiote en absurde vraagstelling tijdens het gesprek op 1 juli 2016.

Opmerkelijk: aan het begin van het rapport van het onderzoek van de sociale recherche wordt een aantal punten van twijfel opgesomd (grondslag voor verzoek adrescontrole) en op het laatste blad van het rapport, dus het onderzoek, worden exact dezelfde punten herhaald (maar dan als grondslag voor noodzakelijk geacht huisbezoek). Alsof de uitkomst vooraf al vaststond en ook wel moest blijken, ongeacht wat er tussen is gebeurd, beantwoord en verklaard.

Versterkt met twee aanvullende punten die overigens later als niet-ontvankelijk terzijde werden gelegd.

LET OP:
Op alle 5 punten zou nooit door een huisbezoek nieuw licht geworpen kunnen worden. Een huisbezoek in de loop van de dag zou niet kunnen bevestigen dat belanghebbende wel op de bank sliep. Het geen eigen kamer in de woning hebben had naast de verklaring van belanghebbende ook gecheckt kunnen worden bij Triada woonstichting (verhuurder).
De feitelijke woonsituatie voorheen zou ook niet door een huisbezoek anders worden verklaard dan de verklaring van belanghebbende.
Bezoek aan ex-partner zou met een huisbezoek ook niet nader opgehelderd kunnen worden en bovendien stond al vast uit de eerdere verklaringen dat dit gericht was op (overigens toch al minimale) onderhoudsplicht van de vier kinderen die daar wonen.
"Vroege ochtend" is een interpretatie van verweerder. Voor belanghebbende was 'vroege ochtend' al tussen 7.00 uur en 7.30 uur omdat hij dan al van de slaapbank in de huiskamer verdwenen moest zijn omdat stiefvader dan al beneden was.
Afgelegde verklaring van stiefvader is onrechtmatig omdat niet is gecheckt of deze persoon toerekeningsvatbaar was en hoe de verstandhouding was tussen hem en de belanghebbende. De moeder is niet gehoord en zou iets heel anders hebben verklaard en stiefvader ter plekke hebben gecorrigeerd op onjuiste uitspraken. Bovendien heeft de stiefvader de verklaringen niet ondertekend.

Kortom, een huisbezoek zou niets hebben bijgedragen, niet met de opgesomde punten, en dat had redelijkerwijs vooraf bekend kunnen zijn.

Niet voor nu maar voor later bij rechtsgang kan nog interessant zijn (i.v.m. aantonen langdurige, saboterende gedragslijn van de verweerder) dat medewerking aan het huisbezoek bij de tweede bijstandsaanvraag door belanghebbende niet werd geweigerd, maar ook vervolgens volstrekt niets om handen had.

Om ook maar te hebben opgemerkt dat de verweerder in werkelijkheid zelf geen waarde hecht aan het huisbezoek maar het alleen als pressiemiddel inzet (i.p.v. als middel om twijfels weg te nemen of schending van de informatieplicht aan te tonen). Aan de punten die werden aangevoerd voor het huisbezoek was bij de tweede aanvraag niets veranderd. Dus verplaatsend in de denkwijze van verweerder had het tweede huisbezoeker veel meer controlerend moeten zijn dan alleen een praatje maken op de oprijlaan.

SCAN:

Huisbezoek


3.6 Rapport boeteoverweging

Uit dit stuk dat belanghebbende eerst door de AVG inzage onder ogen heeft gekregen, blijkt dat er een boeteoverweging is geweest naar aanleiding van het niet (tijdig) nakomen van de inlichtingenplicht.

Dit werpt een nieuw licht op het in de ogen van belanghebbende misverstand/incident dat in augustus 2016 speelde en door belanghebbende niet goed kon worden geplaatst. Hij werd op 10 augustus 2016 (dat is inmiddels na de afwijzingsbeschikking) geconfronteerd met een vooraankondiging boete en het aanbod om een (niet verplichte) verklaring te komen afleggen voor het liegen over hoofdverblijf/woonsituatie. Belanghebbende nog helemaal in het verwerkingsproces van de afwijzing van de uitkeringsaanvraag (juist op grond van de woonsituatie), maar ook van het traumatiserende gesprek op 1 juli 2016 (zie eerder uitgebreid beschreven) was verbijsterd, geschokt en reageerde furieus.

Daarop kwam op 25 augustus de tegenreactie met excuus van de gemeente en de mededeling dat het een interne beleidsopvatting is dat het bij aanvraag niet meewerken aan de vaststelling van het recht op bijstand niet leidt tot boeteonderzoek. De brief van 10 augustus 2016 kon als niet verzonden worden beschouwd en er werd bij vermeld dat er geen boeteonderzoek zal plaatsvinden.

Vanaf toen heeft belanghebbende, toch wel wat opgelucht dat dit een misverstand bleek, in de veronderstelling geleefd dat het een afgedane kwestie was en er niets meer op uitgedaan.

Uit het rapport boeteoverweging blijkt echter recentelijk (na AVG inzage) dat rond belanghebbende de stelling bestaat dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Dat is met het aanbieden van excuus op 25 augustus en het staken van boeteonderzoek niet veranderd. Belanghebbende bestrijdt ook heden dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden en neemt afstand van wat de verweerder hierover stelt.

Hij wil dit ook in de rechtbank aan de orde brengen! Belanghebbende vindt het stellen dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden nog veel kwalijker dan stellen dat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld door weigeren huisbezoek. Toen het huisbezoek ter sprake was heeft de verweerder de belanghebbende niet geïnformeerd over dat hij daarmee de inlichtingenplicht zou schenden.

Als niet meewerken aan het huisbezoek als het schenden van een plicht ter sprake was gekomen, had belanghebbende heel anders gereageerd, namelijk automatisch wel meegewerkt. Hij is zeer gevoelig voor het woord 'plicht' dat hij als heilig beschouwt, getuige ook hoeveel waarde hij hecht aan het nakomen van plichten door gemeenten!

Plichten hebben voor belanghebbende een heilige betekenis gekregen doordat hij daar in het verleden (voorafgaand aan het beroep op de Participatiewet) minder goed mee omging wat hem in grote problemen heeft gebracht.


4. Mismatch met rapport Behoorlijke bijstand (Nationale Ombudsman)

Nieuw feit ten opzichte van het bezwaar en de uitspraak daarop in 2016 is gevonden in het rapport 'Behoorlijke bijstand' van de Nationale Ombudsman. Uitgebracht in oktober 2017.

Hierin staat een totaal andere, voor aanvragers veel rooskleuriger uitvoeringspraktijk dan toegepast bij belanghebbende. Vergelijk van zijn case met de voorstelling die aan de Nationale Ombudsman is gedaan, levert een volledige mismatch op.

Behoorlijke bijstand

EINDE AANLEVERING

ONDERDEEL VAN
Tijdlijn 055/0578

PDF
De versie die naar de gemeente is gestuurd is in PDF beschikbaar.
pdf download, 4 Mb

BIZAR GESPREK
Het verslag van het bizarre gesprek met de sociale recherche al eens gelezen?