Tweede verzoek voorlopige voorziening

hamerTweede verzoek voorlopige voorziening

18 december 2019

Op 12 december 2019 heb ik een verzoek voor een voorlopige voorziening ingediend bij Rechtbank Gelderland.

Dit verzoek is in behandeling genomen onder zaaknummer ARN 19 / 7128 PW 78.

De uitspraak van de voorzieningenrechter luidt op 17 december 2019 (door mij op 18 december 2019 via aangetekende post ontvangen) luidt:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.


Nieuw verzoek

Naar mijn oordeel heeft de rechtbank mijn verzoek op onbehoorlijke wijze afgehandeld en ik stel voorlopig vast dat de voorzieningenrechter onzorgvuldig heeft gehandeld.

In plaats van direct over te gaan tot het indienen van een schriftelijke klacht, lijkt het mij beter en redelijker om middels een nieuw verzoek de rechtbank in de gelegenheid te stellen om mijn verzoek wel op behoorlijke wijze te behandelen en zorgvuldiger te toetsen. Vandaar dit tweede verzoek.


Overwegingen

Voor de door mij geleverde processtukken verwijs ik naar het eerste verzoek, zaaknummer ARN 19 / 7128 PW 78.

  1. De voorzieningenrechter neemt ogenschijnlijk correct de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht in beschouwing bij het komen tot een uitspraak.
  2. Maar de voorzieningenrechter nam in elk geval blijkens de uitspraak volstrekt geen notie van de door mij aangebrachte onderbouwing en processtukken.
    Afgezien van dat ik dit een vorm van minachting voor mijn inspanningen vind, zie ik dit ernstiger dan deze bejegening als een onrechtmatige daad van onzorgvuldigheid.
  3. Als de voorzieningenrechter mijn inbreng wel zou hebben gewogen, dan is de situatie nog erger, want dan had er tenminste iets van te zien moeten zijn in de uitspraak.
  4. Als de voorzieningenrechter zorgvuldiger was geweest, dan had hij uit mijn stukken kunnen opmaken, dat het bestuursorgaan in de eerste plaats al niet bestuursrechtelijk correct heeft gehandeld. Dat is nou juist de kern van het probleem! Hierdoor wordt bestuursrechtelijke rechtsgang (kennelijk) voor mij geblokkeerd en rijst de vraag: 'En nu?'
  5. Die kern van het probleem is waar ik mij tegen verzet en tegen procedeer. Echter de procedure heeft een veel langere tijdshorizon dan het aanstaande (23 december 2019, dus over enkele dagen) onrechtmatige onderzoek dat onrechtmatig is ingesteld.

Gelet op het laatste (de timing) is een voorlopige voorziening onontbeerlijk.

Blijft de rechtbank mij hierin in de steek laten, dan staat er geen andere manier open dan het op (een kans op een) een maatregel van het bestuursorgaan aan te laten komen (het afstemmen van mijn bijstandsuitkering).

Ik kan het niet met mijn geweten, mijn rechtsgevoel en mijn ongeschonden vertrouwen in het Nederlandse recht verenigen om aan een onrechtmatig onderzoek deel te nemen.

Bovendien maak ik mij dan medeplichtig aan onrechtmatig handelen, iets waar ik ten eerste niet toe mag worden gedwongen en ten tweede waarmee ik mijn rechtspositie bij een toekomstige aansprakelijkstelling en juridische procedure vanuit het leerstuk onrechtmatige overheidsdaad zou verzwakken (eigen schuld, tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef).

Als de voorzieningenrechter mij hier niet tegen in bescherming neemt, zal ik alleen mij zelf tegen het bestuursorgaan moeten verdedigen en daarbij andere rechtsmiddelen dienen te zoeken achteraf.

De kans bestaat dat ik mij dan deze maand nog wederom bij de rechtbank moet melden voor weer een andere voorlopige voorziening om hangende het dan te maken bezwaar tegen de afstemming van mijn uitkering te voorkomen dat ik in broodnood terecht kom met alle gevolgen en schade van dien.


Breder kader

Ik adviseer tenslotte de rechtbank om notie te nemen van de zitting die afgelopen vrijdag 13 december 2019 heeft plaatsgevonden bij uw rechtbank. Tijdens die zitting kwam ter sprake dat het conflict tussen het bestuursorgaan en mij uit hand dreigt te gaan lopen en oplossingen steeds verder uit het zicht raken.

Uw collega rechter is met het idee van mediation gekomen. Dat is door mij omarmd, maar door het bestuursorgaan van de hand gewezen.

Ik noem dit aspect als een noodkreet van een kwetsbare burger die tegen het machtsvertoon van een zich voor elke minnelijke oplossing afsluitend bestuursorgaan in bescherming moet worden genomen. De rechtbank heeft daar mijns inziens een verantwoordelijkheid in te nemen. Ik weet anders langzamerhand niet meer waar ik nog wel tijdig rechtsbescherming kan verkrijgen mede gericht op het beperken van schade.

Ik vertrouw erop dat de rechtbank ook bij dit tweede verzoek spoed betracht. De tijd dringt nu wel heel erg.

Hoogachtend,

Vaassen, 18 december 2019

R.M.F. Heijder


Uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Reacties zijn welkom

Ze worden eerst gecontroleerd door BurgerkrachtCentraal voordat ze zichtbaar worden.

Geen zorgen, jouw e-mailadres wordt niet getoond op de website en door BurgerkrachtCentraal niet aan derden verstrekt.

Plaats een reactie